Etnolect

Afra Klarenbeek & Lea Klarenbeek

28-10-2016

Taal is een centraal onderwerp in de discussie over integratie. (Kinderen van) migranten die de Nederlandse taal niet goed beheersen, lopen risico op een achterstand op school, wat weer kan leiden tot een achterstand op de arbeidsmarkt, en dus een zwakkere uitgangspositie in de samenleving. Reden dus om veel aandacht te besteden aan (extra) taalonderwijs.   

Het gebruik van lidwoorden door migranten is hierbij een voor de hand liggend voorbeeld. Lidwoorden hangen samen met het geslacht van woorden, een moeilijk onderdeel van de Nederlandse taal. Ten eerste kun je aan een woord niet zien of het mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is, en of er dus ‘de’ of ‘het’ voor een woord moet komen te staan. Doordat ‘de’ verreweg het meeste voorkomt (mannelijk, vrouwelijk, en meervoud) leidt dit in de praktijk tot een oververtegenwoordiging van het lidwoord ‘de’: ‘de meisje, de huis, de lidwoord’. Een tweede moeilijkheid is dat in het Nederlands bij een zelfstandig naamwoord in het onbepaald onzijdig enkelvoud, de ‘sjwa’ verdwijnt : ‘een leuke huis’, wordt ‘een leuk huis’. Mocht u nu denken: ‘waar gaat dit over?!’ en is Nederlands uw eerste taal: geen zorgen, u doet dit allemaal automatisch goed. Maar het is dus niet zo gek dat mensen die op latere leeftijd Nederlands leren dit moeilijk in hun systeem krijgen.

Het foutief gebruik van lidwoorden wordt vaak vanuit mensen met het Nederlands als eerste taal stigmatiserend nagedaan. Wanneer iemand per ongeluk een fout maakt, wordt een zogenaamd Marokkaans accent opgezet, om aan te geven hoe dom ‘die foutje’ wel niet was. Uit onderzoek blijkt echter dat het foutief gebruik van lidwoorden helemaal geen kwestie hoeft te zijn van een taalachterstand. Kinderen van ouders met een andere eerste taal dan het Nederlands, spreken thuis vaak de moedertaal van hun ouders. Zij leren Nederlands op school, waar zij jong genoeg zijn om het geslacht van woorden goed in hun systeem te krijgen.

In deze gevallen, heeft dit taalgebruik dus niets te maken met kennis. Het is een voorbeeld van een ‘etnolect’: een variatie op de dominante taal, in dit geval Nederlands, waarmee men aangeeft bij een bepaalde etnische groep te horen. Het is een manier om de sociale identiteit te markeren. Een vorm van je afzetten tegen de sprekers van de ‘standaardtaal’ en tegen mensen van een hogere sociale klasse. Ook jongeren met ouders wiens moedertaal wel Nederlands is, kunnen dit etnolect daarom overnemen.

Natuurlijk is niet elke taalfout een daad van verzet, maar een deel van de ‘fouten’ wordt heel bewust gemaakt. Om ‘gewoon’ ‘het meisje’ of ‘het huis’ te zeggen, wordt in deze context door jongeren gezien als onnodig chique doen. Ze geven in het onderzoek aan dat het juist dom klinkt om standaardtaal te gebruiken onder vrienden. Dat wil niet zeggen dat ze niet weten dat ‘het meisje’ correct is en ze zullen het etnolect dan ook meestal niet gebruiken in gesprek met mensen buiten hun vriendenkring.

Het spreken van een etnolect hoeft dus helemaal geen probleem te zijn voor het vinden van een baan: op de arbeidsmarkt kunnen deze jongeren switchen naar standaard Nederlands. Extra taalonderwijs zal in deze gevallen dan ook niet zomaar leiden tot het spreken van correcter Nederlands. In plaats van taalvaardigheid, weerspiegelt het etnolect bepaalde sociale verhoudingen in de samenleving. Het negatieve stigma dat kleeft aan het gebruiken van verkeerde lidwoorden wordt door jongeren van verschillende etnische achtergronden tot verzetsvorm tegen de stigmatisering van tweedetaalverwervers, en alle vooroordelen die daarbij horen.