“Het gevecht, dat waren wij”

Door Fenneke Wekker

30-09-2016

Hij was die avond naar boven gelopen, vertelde hij mij, omdat het stil was.
Stiller dan anders.
Hij had voorzichtig Saida’s slaapkamerdeur geopend. Zijn 16-jarige dochter keek geschrokken op; het verboden fotoboek lag op haar schoot.

‘Waarom hebben jullie mij dit nooit verteld?’ vroeg ze.
Hij wist niet wat hij terug moest zeggen.
‘Ik heb nooit iets gehad om trots op te zijn. Ik heb me altijd geschaamd. Mijn vrienden, iedereen heeft ouders met banen en carrières, en jij en mama maken schoon voor anderen….’ 
‘Saida…,’ stamelde hij verdrietig.
‘En nu dit!’ Ze sloeg hard op het boek. Het boek dat zolang zijn geheim was geweest.
‘Jullie hebben mensen gered in Iran, jullie hadden in de gevangenis kunnen komen…’
Nu huilde ze. ‘Waarom hebben jullie dat nooit verteld…?’
‘Omdat…,’ fluisterde hij moeizaam, ‘dat er nu niet meer toe doet.’

Het was geen echte afspraak geweest tussen Arshan en zijn vrouw, maar ze hadden nooit met hun kinderen over hun oorlogsverleden gepraat. Alle herinneringen aan die tijd deden pijn. Niet alleen omdat ze gruwelijk waren (het aankomen in Nederland was eerlijk gezegd traumatischer geweest…), nee, het deed pijn om te denken aan het leven waarin zij nog zichzelf waren.

‘Jullie zijn helden…,’ hoorde hij Saida zuchten.
‘Stop, alsjeblieft, Saida. Dat zijn we niet…’
‘Ik ga dit aan iedereen vertellen’
‘Je bent geen held door anderen te helpen…’
Saida gooide vertwijfeld haar handen in de lucht. ‘Het is goed om anderen te helpen, pap. Dat is heel moedig. Zeker als er ergens een revolutie aan de gang is. Dan ben je een held.’

Als Arshan aan ‘helpende helden’ dacht, kon hij niet anders dan aan Nederlandse hulpverleners en vrijwilligers denken. Al die mensen in het AZC die hen wegwijs hadden gemaakt, die hen hadden geholpen hun leven op de rails te krijgen in Nederland.

‘Je kunt mensen ook zoveel helpen, dat je alle eigenwaarde van ze afneemt, Saida,’ zei hij, ‘Ik weet niet of ik het zelf weer zou doen…’
‘Maar jullie zijn hier toch ook geholpen! Zonder de hulp van de Nederlanders hadden jullie het toch nooit gered?’

‘Maar wat is er van mij over?’ hij voelde hoe zijn keel opzwol, ‘en wat is er van je moeder over? Jij kent haar niet zoals ik haar gekend heb, Saida.’
‘Wat bedoel je, pap…? Hadden ze jullie dan maar niet moeten helpen? Ben je niet dankbaar?’
‘“Hier is geen oorlog, Arshan, je hoeft hier niet te vechten,” zeiden ze tegen me. We waren zo dankbaar en zo moe, dat we ons gevecht opgaven. Maar dat gevecht…, dat waren wij.’ 
‘Was je dan liever in Iran gebleven…? Dan was je nu waarschijnlijk dood geweest.’

Arshan zakte door zijn knieën. Staan ging niet meer. Een diepe, wanhopige vermoeidheid van jaren viel over hem heen. Saida knielde naast hem neer en pakte hem vast.
‘Was je dan liever in Iran gebleven, pap?’ herhaalde ze voorzichtig nog een keer.
‘Ik… weet het niet…’
Zijn keel brandde. Hij liet zich vallen in Saida’s armen, die hem zachtjes wiegde. Voor het eerst sinds zijn aankomst in Nederland huilde hij.