Collega’s zijn geen concurrenten

Josien Arts

13-02-2018

Op uiteenlopende werkplekken houden individuele werknemers hun prestaties nauwkeurig bij. Dit is een vanzelfsprekende gang van zaken geworden die als een rode draad door het werk heen loopt. Ambtenaren bij de sociale dienst weten hoeveel bijstandsgerechtigden uit hun case load zijn uitgestroomd naar werk, adviseurs weten hoeveel uur ze ‘declarabel’ zijn of ‘op de bank zitten’, wetenschappers weten hoeveel artikelen ze het afgelopen jaar hebben gepubliceerd, en al deze werkenden weten hoe klanten, cliënten of studenten hen hebben geëvalueerd. Deze manier van ‘individuele prestaties meten’ leidt tot individuele onzekerheid en een concurrentiestrijd tussen collega’s die de gemeenschappelijkheid op de werkvloer (en daarbuiten) ondermijnt.

De huidige arbeidsmarkt kenmerkt zich door ‘flexibele’, of beter gezegd: onzekere arbeidsomstandigheden (met flex-contracten, flex-werkzaamheden en flex-werkplekken) die onder andere hebben geleid tot een ‘voor-jou-10-anderen-cultuur’. Als je je werk niet goed en snel genoeg doet of teveel ‘klaagt’, is de kans groot dat je aan het einde van je tijdelijke contract geen verlenging krijgt, of binnen je vaste contract geen promotie hoeft te verwachten. Zowel om een baan te behouden als om een nieuw baan te vinden, zijn tegenwoordig specifieke vaardigheden vereist (zogenoemde 21st century skills of soft skills), zoals goed kunnen samenwerken en communiceren, aanpassingsvermogen, optimisme en empathie. Er bestaan bovendien eindeloos veel technologische middelen die interne informatie-uitwisseling, samenwerking en individuele profilering mogelijk maken (zoals Connect en SharePoint).

Van werkenden wordt dus een specifieke vorm van collegialiteit verwacht, terwijl ze overwegend individueel worden afgerekend op hun prestaties (waar sociaal zijn een onderdeel van is) en die prestaties meer dan ooit zichtbaar zijn en van belang voor carrièreperspectieven – of simpelweg voor het behouden van een baan. Vaak worden vooral de voordelen van al deze omstandigheden besproken: mensen leveren beter werk, zijn efficiënt en sociaal, waardoor ze tevreden zijn met hun werk en zelfs gelukkig, zo is het idee. Ik wil niet stellen dat daar niets van waar is, maar er is sprake van een keerzijde die aandacht verdient. Het welbevinden van werknemers is voor werkgevers van belang voor zover het bijdraagt aan het behalen van de organisatiedoelstelling (die kan worden gemeten in termen van winst, klanttevredenheid of scores op ranglijsten bijvoorbeeld). Uiteindelijk gaat het om de ‘output’ die mensen leveren: hoeveel producten er (mede) dankzij jou zijn verkocht, hoeveel bijstandsgerechtigden je aan werk hebt geholpen, hoeveel artikelen je hebt gepubliceerd of hoeveel nieuwe klanten je hebt binnengehaald.

In de context van een onzekere arbeidsmarkt waarin zowel individuele prestaties als sociale vaardigheden centraal staan, is de sociale druk hoog, zijn individuele posities onzeker en worden mensen (al dan niet onbedoeld) tegen elkaar uitgespeeld. We vergelijken onszelf steeds met anderen, willen (of moeten?) aardig gevonden worden en minstens even goed werk leveren als collega’s (of liever beter zelfs).

Nu is de vraag wat wij daar als werkenden – zowel in loondienst, als in opdracht – tegen kunnen doen. Een eerste antwoord is om deze vanzelfsprekende manier van werken te bevragen. Daarnaast is het van wezenlijk belang om elkaar niet als concurrenten, maar als collega’s te zien. We kunnen elkaar ondersteunen, elkaar uitnodigen voor een kopje koffie, ervaringen en werk-gerelateerde vraagstukken bespreken. We zitten namelijk met z’n allen in hetzelfde schuitje dat ons kwetsbaar maakt. En als we elkaar als concurrenten gaan zien, zinken we.