De Nederlandse Inquisitie

Fenneke Wekker

17-07-2017

En zo gebeurde het dat een jonge onderzoekster,  met – in haar nadeel – een islamitische voor- en achternaam, onderwerp werd van een 21e-eeuwse heksenjacht.

Drie wetenschappers, de jonge vrouw in kwestie en haar twee senior collega’s met Nederlandse namen, publiceerden in januari hun onderzoek naar huwelijken van vrouwelijke migranten in Syrië. Interessant onderwerp zou je zeggen. Geen reden voor alarm.

‘Maar ja, die ene vrouw met die moslim-naam… wat doet die eigenlijk bij dat onderzoek? Dat is verdacht’, moet journalist Andreas Kouwenhoven van NRC gedacht hebben.

Het afgelopen half jaar ontvouwde zich een hetze tegen de vrouw, aangezwengeld door Andreas Kouwenhoven als voorvechter van ‘goed onderzoek’,  die reikte van de ‘intellectuele’ dagbladen, via de sociale media tot diep in de Tweede Kamer.

De jonge onderzoekster werd openbaar  terechtgesteld voor de volgende vergrijpen:

Eerste vergrijp:  Zij had onderzoek gedaan naar moslima’s terwijl zijzelf een “toegewijde moslima” is. Dat kan natuurlijk niet. Dat zou hetzelfde zijn als dat een onderzoeker die op zondag naar de kerk gaat, onderzoek zou doen naar mensen die óók op zondag naar de kerk gaan. Of dat een homoseksuele hoogleraar een artikel over de homobeweging schrijft.  Of dat een blank iemand onderzoek zou doen naar andere blanke mensen. Dat is echt raar en echt geen wetenschap. Logisch.

De onderzoekers met de Nederlandse achternamen gingen daarom vrijuit. Zij kunnen, in de logica van onze gewaardeerde journalist, natuurlijk wel objectief wetenschappelijk onderzoek naar moslima’s verrichten.

Tweede vergrijp: In het artikel werd beweerd dat  de onderzochte moslima’s vrijwillig naar Syrië vertrokken, uit liefde voor een man. Dat kan geen integer onderzoek zijn. Iedereen die de krant leest, bijvoorbeeld NRC, weet dat moslima’s onder druk gezet worden door mannen. Het is dus wel erg verdacht dat juist een vrouwelijke islamitische onderzoeker deze vrouwen als zelfdenkende, autonome mensen beschrijft, en níet als “geronselde slachtoffers”. Dat kan niet. Dat moet pertinente onzin zijn. Bovendien kan de bevinding van de onderzoekers “worden gebruikt in de verdediging van deze vrouwen”. Dat kan al helemaal niet de bedoeling zijn. 

Derde vergrijp: Volgens NRC  is het summum van verdachtheid wel dat de details van ene ‘Zuster Aicha’ op het forum Marokko.nl overeenkomen met een paar persoonsgegevens van onze moslim-onderzoekster. Zo zijn ze allebei van oorsprong Marokkaans, allebei vrouw, allebei jong, ze wonen allebei in Amsterdam en hebben allebei een kind met dezelfde naam. Ja, ja, dat kan geen toeval zijn; zoveel jonge Marokkaanse vrouwen, met een kind dat Mohammed heet, wonen er niet in Amsterdam. Echt verdacht.

En zo komt het dat NRC vol overtuiging kan beweren dat de UvA-onderzoekster één en dezelfde is als de “cyberjihadist Zuster Aicha”.  Hiermee kan het onderzoek volgens hen dus de prullenbak in. Jammer voor de onderzoekster, ze zweert bij hoog en laag dat zij ‘Zuster Aicha’ niet is en dat ze niet sympathiseert met de jihad. Maar ja, dat geloven we natuurlijk niet. Dan moet je maar geen moslima zijn. En zeker geen onderzoek doen naar andere moslima’s. En zeker niet zeggen dat er misschien wel moslima’s zijn die uit zichzelf en uit liefde naar Syrië vertrekken en zelf verantwoordelijk zijn voor die beslissing. Dat is gewoon verdacht. 

Waarom doen moslima’s eigenlijk überhaupt wetenschappelijk onderzoek? Zouden ze onder druk staan van hun mannen?