Dodenherdenking

Mick Kemeling

01-04-2018

Het is zeven uur 's avonds wanneer ik langs een groepje ouderen ren. Plechtig kijken ze naar een oorlogsmonument. Eigenlijk zouden ze overal wel kunnen staan, deze heren in pak, want mijn stad is één groot oorlogsmonument. In niet veel Nederlandse steden vielen er meer bommen dan in Den Helder, geallieerde bommen weliswaar – dus die zijn minder kwaadaardig. Te lang kan ik er niet bij stilstaan; ik moet de bus immers halen. Ik wil mijn afspraak om de stilte te beleven met een mooi blond meisje niet missen.

Aangekomen in het nabijgelegen dorpje opent ze ruim op tijd voor de herdenking de deur. Het gedreun van hardcore komt me in de gang van haar anti-kraakwoning al tegemoet. Wanneer ik de woonkamer binnenstap neemt ze verleidelijk plaats op haar vervallen bankstel. Voor haar op tafel ligt een bordje met speed en een Univé zorgverzekeringspas. “Je let in ieder geval op je gezondheid”, zeg ik terwijl ik mijn eerste grauwe slok jenever slik en een vijfje tot buisje rol.

Ze woont nu enkele jaren in het dorp en wil daar niet meer weg. In Den Helder voelde ze zich niet meer thuis. ''Tussen al die niggers wil je toch niet wonen?'' vraagt ze me, terwijl ik in haar lieve blauwe ogen staar. Zulk onbeschaamd racisme denken veel hoogopgeleiden alleen aan te treffen in Wilders natte dromen, maar is binnen mijn kringen gebruikelijk. Ik vraag haar of ze uitziet naar de twee minuten stilte, waarop ze antwoordt dat dodenherdenking maar overdreven is.

“Wie denkt er aan mij?” vraagt ze me met een blik vol zorgen. Ze wil zelf kiezen wie ze herdenkt en doet dat liever op haar eigen manier. Dus daar leg ik me bij neer – zoals je de gebruiken van een gastvrouw respecteert. Ik zie in hoe haar problemen het soms onmogelijk maken vreemden te herdenken. Voor haar is het vanzelfsprekender beschuldigend te wijzen naar de vreemdeling. Toch laat ik deze kans niet varen om net voor acht uur een verhaal te beginnen over onze geboortestad.

Schilderij door Mick Kemeling

Ik vertel over de vredige plassen in de duinen, die eigenlijk volgelopen bomkraters zijn. Over de vrolijke tekeningen in de bunkers van Tuindorp, die door meedogenloze Hamburgse soldaten op de muren werden gekalkt. Tot slot vertel ik over mijn eigen opa, die de dagboeken op zolder naliet met verhalen over de werkkampen. De jonge dame vertelt ook over haar opa's en beseft dat haar grootouders van na de oorlog zijn. De oorlog is voor haar een oorlog.

Ik voel me verbonden met haar en kan niet anders dan beginnen over het uitsluiten van mensen op basis van enkele kenmerken; zoals nazi's dat deden. Ik leg uit dat er geen superieur blank ras is, maar mensen veel op elkaar lijken. Ik vertel over de ontmenselijking van groepen mensen, die aan de basis ligt van de beangstigende genocides in Europa.

Steeds sterker voel ik hoe we niet de schuld erven van het drama dat onze voorouders veroorzaakten, maar wel de verantwoordelijkheid te leren van hun fouten.