De donorwet dwingt mensen na te denken over het leven van een ander

Josien Arts

21-02-2018

In deze bijdrage aan het debat rondom de nieuwe donorwet, zal ik maar meteen met de deur in huis vallen: persoonlijk begrijp ik het belang van ‘zelfbeschikking’ over of ‘autonomie’ van het dode lichaam niet. Zeker niet als het tegenover het belang van het voortbestaan van andermans levende lichaam staat. In aanvulling op wat Fenneke Wekker eerder deze week schreef, betreft dat niet alleen oudere, maar ook jonge mensen die nog een heel leven voor zich kunnen hebben (waarmee ik niet wil zeggen dat het leven van de één waardevoller is dan het leven van de ander). Zoals ik het begrijp, kunnen dode mensen levende mensen redden. Waarom zouden we dat dan niet doen?

Misschien moet ik eerst iets over mijzelf vertellen: ik sta al lange tijd geregistreerd als donor. Het maakt voor mij niet uit wat er met mijn lichaam gebeurt als ik niet meer leef, voor anderen wel. Ik hecht ook geen waarde aan een ceremonie in de vorm van een begrafenis of crematie bijvoorbeeld. Die is voor de achterblijvers belangrijk en waardevol, niet voor mij. En als ik met mijn dode lichaam iets voor een ander kan betekenen, dan graag.

Ik zie de donorkwestie als een uitruil: het dode lichaam opgeven ten bate van het leven van een ander. Aangezien ik weinig waarde hecht aan mijn dode lichaam en veel waarde aan het levende lichaam van een ander, is de keuze om donor te zijn voor mij snel gemaakt – wel in goed overleg met mijn dierbaren overigens. Maar dat het een keuze is, lijkt me essentieel. Niet iedereen denkt er hetzelfde over. Daarom laat de wet ook ruimte voor ieders eigen keuze en/of die van de nabestaanden. Waar deze keuze echter voorheen een optie was, is deze nu verplicht. Het is denk ik gerechtvaardigd dat mensen gedwongen worden een keuze te maken, omdat het er niet mee bezig hoeven zijn in wezen een privilege is van gezonde mensen. Het is een kwestie van minimale solidariteit met zieke mensen dat gezonde mensen erover nadenken en hierin een bewuste keuze maken.

Dan blijft het belangrijke punt staan dat Fatiha El-Hajjari eerder terecht maakte: er is een groep mensen die het vraagstuk niet kan overzien en/of de keuze praktisch niet kan maken door de digitale en bureaucratische vereisten die impliciet gesteld worden. Dat is een probleem, maar het is niet enkel een probleem in deze kwestie. We hebben als burger meer verplichtingen (belastingplicht bijvoorbeeld) en hebben vaker het recht om ons over iets uit te spreken (zoals het kiesrecht). Deze groep verdient op meerdere vlakken goede ondersteuning. Het tekortschieten daarvan leidt op allerlei gebieden tot problemen (ik doel hiermee niet op het tekortschieten van de mensen die de ondersteuning bieden, maar van de aandacht en middelen die beschikbaar zijn voor deze groep). Er wordt te veel uitgegaan van zogenoemde ‘zelfredzame’ burgers en te weinig ondersteuning geboden aan mensen die het ontbreekt aan voldoende geld, cognitieve en/of fysieke vermogens om aan de ingewikkelde en hoge eisen van de huidige samenleving te kunnen voldoen. Ik denk echter dat dat een andere (heel belangrijke!) discussie is die niet afdoet aan de rechtvaardigheid van de donorwet.

De donorwet dwingt mensen tot nadenken over de vraag of en in hoeverre zij door donorschap kunnen bijdragen aan het leven van een ander – in dit geval het leven van mensen die die bijdrage heel hard nodig hebben. Om die reden, en ondanks alle terechte kanttekeningen, vind ik de wet zo gek nog niet.