Generalisaties

Jan Willem Duyvendak

10-04-2017

In mijn homoseksuele bestaan ben ik twee keer fysiek aangevallen. De eerste keer stond ik ’s nachts te kussen midden op het Leidseplein (hoe street wise kun je zijn…), de tweede keer verliet ik net een homokroeg in de Regulierdwarsstraat. In beide gevallen waren de geweldplegers jonge Marokkaanse Nederlanders.

Een paar jaar geleden heb ik meegewerkt aan een onderzoek naar anti-homogeweld. Hieruit bleek dat een even groot deel van dit geweld, namelijk 36 %, door autochtone jongens werd gepleegd als door Marokkaanse Amsterdammers. Maar omdat er meer jonge autochtonen zijn, waren de Marokkaanse geweldplegers oververtegenwoordigd (de burgemeester van Amsterdam vond die conclusie trouwens te slap, die meende dat we vooral moesten benadrukken dat Nederlandse Marokkanen zich hieraan schuldig maken).

Sociologen benadrukken dat het meeste gedrag dat we vertonen groepsgedrag is: er zit weinig individueels en origineels bij. In het geval van antihomoseksueel gedrag is het groepskarakter trouwens ook moeilijk te missen. Weinig ‘potenrammers’ handelen alleen. Maar om welke groep ging het in mijn geval? Waarom duid ik ze aan als ‘Nederlands-Marokkaanse jongens’? Welke rol spelen etniciteit, klasse, religie, conservatieve opvattingen over mannelijkheid en/of de straatcultuur? Uit ons onderzoek bleek toen dat de neiging om tot geweld over te gaan bij deze jongens vooral samenhing met ideeën over mannelijkheid. Of preciezer: met hun negatieve gedachten over vrouwelijkheid (en de betrokken jongens zagen homo’s als niet-mannelijk).

In sociologisch onderzoek willen we groepskenmerken achterhalen, zijn we in zekere zin uit op generalisaties: het begrijpen van groepen mensen in hun gedeelde context.  Het zijn immers geen toevallige individuen die dit geweld plegen en het geweld is niet blind maar gericht. Maar goede sociologen wantrouwen te grove generalisaties. Het is immers een kleine minderheid die tot dit walgelijke geweld overgaat; niet alle jongens met bekrompen ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid slaan erop los.

Populistische politici lijken soms net sociologen. Ze verklaren gedrag door te wijzen op de culturele context, ze wijzen beschuldigend naar een religie. Maar het zijn niet-geslaagde sociologen omdat ze in hun  generalisaties veel te ver gaan. Zover bijvoorbeeld, dat de eigen, autochtone groep uit beeld verdwijnt. Alsof die van nature van homofobe smetten vrij is.

Toen ik werd aangevallen, had ik overigens wel iets anders aan mijn hoofd dan dit te bedenken. Als je iets heftigs overkomt, dan ben je eerder een populist dan een socioloog.