Het productieve lichaam

Ilios Willemars

23-02-2018

Josien Arts schreef in haar stuk deze week het volgende: “persoonlijk begrijp ik het belang van ‘zelfbeschikking’ over of ‘autonomie’ van het dode lichaam niet. […] Zoals ik het begrijp, kunnen dode mensen levende mensen redden. Waarom zouden we dat dan niet doen?” In het kort is haar argument dat het goed is als mensen gedwongen worden op zijn minst een keuze te maken over de vraag of zij wel of niet orgaandonor willen worden. Als je geen keuze wenst te maken, dan moet je maar donor zijn, zo gaat de redenering. Automatisch donor worden als straf voor besluiteloosheid. Maar hoe kun je mensen straffen door als maatregel donorschap op te leggen wanneer je zelf zegt de bezwaren tegen donorschap – autonomie en zelfbeschikking over het lichaam – niet te beschouwen als belangrijke componenten in een debat over dat lichaam?

Het maakt uit wat de uitgangspositie is. Is je lichaam na je dood automatisch van de staat, van de samenleving zo je wilt, of is je lichaam na je dood in eerste instantie van niemand of van je nabestaanden?

De denker Michel Foucault heeft het woordje ‘biopouvoir’ – biomacht – bedacht om over een bepaald type macht te spreken. Het type macht dat erop gericht is mensen in leven te houden en economisch en biologisch productief te maken. Niet langer dreigen met de dood, maar bijdragen aan productief leven staat met dit type macht centraal.

De donorwet lijkt mij een voorbeeld van zulke macht. Macht die erop is gericht de dood te bestrijden, de dood om te zetten in leven, lichamen opnieuw productief te maken, de samenleving te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan productiviteit.

Elders suggereert Foucault dat het argument dat de samenleving verdedigd moet worden steeds ook betekent dat de ‘ander’ van die samenleving een pas op de plaats moet maken. Die pas op de plaats heeft voor hem een uitsluitend karakter en kan grond worden voor discriminatie die wordt aangekleed in termen van biologie en gezondheid. Een gezonde samenleving heeft gezonde lichamen nodig. En wie weigert te kiezen vormt geen bijdrage aan dit project. Is steeds al verdacht.

Zoals Fenneke Wekker eerder al stelde, een verandering in de uitgangspositie, zoals bepaald in de nieuwe donorwet, heeft effecten voor de verhouding tussen staat en individu. Ik zou daar nog aan toe willen voegen dat ook de definitie van wat een levend lichaam is en wat een dood lichaam is aan verandering onderhevig is. Met deze verandering stelt de wet dat het levende lichaam steeds al in potentie gezien moet worden als een instrument ter verdere verdediging van de samenleving. Verdediging tegen zieke lichamen.

De nieuwe donorwet houdt niet alleen een wetswijziging in, maar is ook gericht op het normaliseren van donorschap. Met het produceren van een norm wordt ook een nieuwe definitie aan het abnormale gegeven. Josien Arts’ stellingname dat zij het “belang van ‘zelfbeschikking’ over of ‘autonomie’ van het dode lichaam” niet begrijpt, lijkt mij een symptoom van deze nieuwe norm die blijkbaar al breed gedragen is. Op deze manier is de keuze om geen keuze te maken, en de keuze om het lichaam niet af te staan beide een foute keuze. Fout in die zin dat zij tegen de norm van donorschap ingaat, een norm die doel is van deze wetswijziging. Hiermee verwordt diegene die niet kiest of weigert organen af te staan tot abnormaal; een vijand van een gezonde samenleving die door middel van dode lichamen verdedigd moet worden.