Het verlangen naar vijftig tinten grijs

11-05-2018

Jan Willem Duyvendak


“Een nieuwe lente en een nieuw geluid: Ik wil dat dit lied klinkt als een gefluit”, zo luiden de eerste zinnen van het gedicht Mei van Herman Gorter. Een nieuwe lente, een nieuw geluid, wat zou dat welkom zijn. Zo welkom in een wereld waarin iedereen vastgeroest lijkt te zitten in voorspelbare meningen en meninkjes. Een nieuw geluid, kom er maar eens om in de Nederlandse media.

Nog vorige week kondigde de NRC trots aan dat Paul Scheffer als “nieuwe columnist” was aangetrokken (okay, ze schreven er wel bij dat hij dat in 1990 ook al was…). Scheffer was echter geheel zijn voorspelbare zelf door Moslims weer ergens de schuld van te geven (dit keer van het oplevende antisemitisme). Waarschijnlijk had de NRC geen behoefte aan een nieuw geluid.

Maar het is lente. Waarom wéér al die stereotypen en clichés, waarom geen nuances, ambivalenties en ongerijmdheden? Waarom alles zo zwart-wit, waarom geen vijftig kleuren grijs?

Neem de discussies over identiteitspolitiek. Ewald Engelen kondigt nu een boekje aan Het is klasse, suffie, niet identiteit. Serieus? Is het heus alleen maar klasse? Verminderen homohaat of antisemitisme per se door ‘klassenverkleining’? Come on, het moet zoveel beter en interessanter kunnen. Minder zwart-wit, veel meer tinten grijs.

Bij politici is enige consistentie in standpunten zeker gewenst, maar waarom doen andere weldenkende mensen daaraan mee? Waarom zijn veel wetenschappers in het publieke debat ook geheel voorspelbaar, terwijl zij juist zouden kunnen bevragen, ontregelen, nuanceren. Ik weet het, die nuance is niet altijd waar journalisten en politici op zitten te wachten; media en politiek willen graag eenduidige en eenvoudige boodschappen, ook van wetenschappers.

Een voorbeeld. We hadden onderzoek gedaan naar het vóórkomen en de oorzaken van antihomoseksueel geweld. Dat was en is een treurig verhaal, want het komt veel voor en onder uiteenlopende groepen, waarbij Nederlandse-Marokkaanse daders zijn oververtegenwoordigd. Dat schreven we op en we probeerden te begrijpen waarom zij vaker geweld tegen homo’s gebruiken. Toch werden we op het matje geroepen door burgemeester Van der Laan (we hadden het onderzoek in opdracht gedaan van de gemeente Amsterdam): waarom spraken wij slechts van ‘oververtegenwoordiging’ terwijl toch duidelijk was dat ‘de Marokkanen’ de daders waren? Waarom altijd weer die vermaledijde nuance terwijl we ‘de Marokkanen’ moesten aanspreken op dit gedrag?

Wel, omdat het niet zo zwart-wit lag en ligt. En ja, Nederlandse-Marokkaanse jongens zijn oververtegenwoordigd, en dat is heel erg, en daar moet veel meer aan worden gedaan. Constateren dat er ook veel autochtone daders zijn, betekent wat mij betreft echter niet dat we de oververtegenwoordiging van de Nederlandse-Marokkanen relativeren. Door oog te hebben voor verschillende groepen daders, bleken uiteenlopende motieven een rol te spelen. En door gericht aandacht te geven aan de Nederlandse-Marokkaanse daders konden we beter begrijpen waar hun gewelddadige gedrag vandaan kwam (en komt). (Het bleek veel met bepaalde opvattingen van mannelijkheid te maken te hebben, erg Koran-vast waren ze niet).

We moeten uit de kramp van simplificaties en generalisaties; van het wegzetten van anderen als “suffies” wanneer ze niet meegaan in het dichotome wereldbeeld van de auteur. Ik snak naar een nieuwe lente, een nieuw en veelzijdiger geluid.