‘Leefbaarheid’


Fenneke Wekker

05-10-2018

“Ik vind het belangrijk dat onze bewoners meedenken over hoe we de leefbaarheid in de buurt kunnen verbeteren,” zegt de lief-uitziende, goed verzorgde consulent van een grote woningcorporatie uit het midden van het land.

“Gaat het dan niet goed met de leefbaarheid?” vraag ik. Een andere vrouw in de kring draait met haar ogen en zucht luid. “Daarom zijn we hier,” zegt ze, terwijl ze met de flyer zwaait waarop staat: ‘Samenwerken aan leefbare buurten.’

“Het blijft natuurlijk een zorg,” legt de vriendelijke consulent uit. “Er is een toename van verwarde bewoners in onze wooncomplexen. De stank, de overlast is groot voor de huurders die géén problemen veroorzaken. En wij krijgen die laatste groep steeds aan de telefoon. 80% van de telefoontjes die ik krijg gaat over overlast. Dat moet je serieus nemen.”

“Maar is dat ook 80% van de bewoners?” vraag ik. “Nee,” zucht de consulent, “het is een klein, hardnekkig groepje klagers. Vervelend. Maar je moet er wel wat mee. De meeste bewoners geven aan prettig te wonen.”

De voorzitter van een bewonerscommissie zegt: “Maar het zijn niet alleen verwarde personen die voor problemen zorgen. In onze flat is een concentratie van armoede. 85% van de bewoners is allochtoon; Ja, ik mag dat woord niet meer zeggen, maar ik zeg het toch. En als ik zie hoe die kinderen opgroeien, dan breekt mijn hart.” Een directeur vult aan: “Inderdaad. Zelf ben ik heel prettig opgegroeid. Mijn ouders namen mij mee naar musea, ik zat op verschillende sportclubs. Dat gun ik de kinderen in onze wooncomplexen ook. Ze krijgen van huis uit zo weinig mee.” Iedereen in de kring deelt die zorg.

Ik houd het niet meer.

“Twee vragen:” zeg ik, “ten eerste, ik vind het ook erg dat niet alle kinderen in Nederland dezelfde kansen en privileges hebben. Daar moet absoluut wat aan veranderen. Maar waarom zou een woningcorporatie zich bezighouden met of huurders naar musea of een sportclub gaan? Dit riekt naar de oude woonscholen, waarin bepaalde groepen bewoners ‘opgevoed’ moeten worden volgens ‘geciviliseerde normen’. De kinderen in uw flats krijgen heel veel mee van huis uit. Maar misschien niet de dingen die u herkent als waardevol.”

Nee, dat laatste durfde ik niet hardop te zeggen. Ik stopte vóór ‘Dit riekt naar…’. De draaiende ogen in de kring werden zo zichtbaar, dat ik mijn gedachte niet af durfde te maken. Mijn tweede vraag heb ik maar helemaal niet gesteld.

Onverwachts krijg ik bijval van een oudere bestuurder: “Maar moet je kijken naar hoe wij hier zitten!” zegt hij opgewonden. “Gaan wij beslissen wat ‘leefbaar’ is? Wij zijn allemaal wit, allemaal hoogopgeleid. Wie hier is er zelf een huurder?” Niemand steekt een hand op. We zijn allemaal huiseigenaren. Over ons hoeft niemand ‘zorg’ te hebben.

Wat ik niet durf te vragen, maar wat voelbaar blijft hangen in de diepe stilte die er vervolgens valt, is dit:
De meerderheid van de huurders geeft aan 'prettig te wonen', ondanks dat zij hun kinderen niet naar musea en sportclubs sturen – zou zo'n leven volgens u leefbaar kunnen zijn? Voor sommigen in de kring lijkt dat nog nauwelijks voorstelbaar.