Nederlandse dans

Lisa Smal

22-12-2018

Weer legt iemand van achter zijn handen op mijn heupen. Hardhandig trekt hij me naar zich toe. Boven de muziek uit schreeuwt hij veel te hard in mijn oor: “Jij danst niet Nederlands!” Ik voel zijn hete adem in mijn nek. Hij draait me om. “Waar kom je vandaan?”

Ik voel me ongemakkelijk. Niet alleen doordat hij ook nog even goed in m’n kont knijpt - daar ben ik na een paar jaar uitgaan op het Leidseplein wel aan gewend geraakt - maar door de dingen die hij zegt. Hij bedoelt het waarschijnlijk als compliment, net als de vorige drie mannen die in mijn oor schreeuwden dat ik niet Nederlands dans. Ik ben erachter gekomen dat “niet-Nederlands-dansen” iets positiefs is. Het betekent dat je sexy bent. En als iemand op het Leidseplein om drie uur ’s nachts tegen je zegt dat je sexy bent, dan is dat een compliment.

Daar voel ik me niet ongemakkelijk over. Het is de vraag erna. De vraag waar het eigenlijk om draait. “Jij danst niet Nederlands” is alleen maar om het gesprek over mijn afkomst te kunnen beginnen. Overdag willen mensen ook altijd weten waar ik vandaan kom, alleen dan beginnen ze met een andere complimenterende openingszin zoals “Wat heb je mooie donkere ogen” of, minder complimenterend: “Wow, jij bent wel heel klein”.

Meestal zijn de vraagstellers zelf niet Nederlands. Althans, dat vinden ze zelf. Want wat is dat? Nederlands zijn. Of beter gezegd: Niet Nederlands zijn. Want dat is volgens mij waar het om draait. Ze zoeken naar een aanknopingspunt. Naar iets waarin ik hetzelfde ben als zij. Naar iets waar we het over kunnen hebben.

Maar ik weet niet wat ik ben. Ik weet niet wat ik moet antwoorden op de vraag waar ik vandaan kom. Mijn ouders zijn allebei in Nederland geboren, maar dat is niet wat de vraagstellers willen weten. Ze willen weten waar ik “écht” vandaan kom. Waar mijn opa’s en oma’s vandaan komen. Dat zegt blijkbaar meer over wie ik ben dan wat ik zelf voel of wat ik officieel ben voor de wet. Ik heb een Nederlands paspoort.

Ik steek mijn ellebogen uit, kijk de man boos aan en loop weg. Het is al laat en ik ga naar huis. Ik stuur mijn vriend een appje dat ik er over een halfuurtje ben.

Als ik thuiskom, is mijn vriend nog wakker. Ik kruip bij hem in bed en vertel over de jongen die aan mijn kont zat en dingen in mijn oor riep. Ik vertel hem de irritatie over de vragen over mijn afkomst. Hij draait zich naar me toe, legt zijn hand op mijn heup en zegt: “Wat een onzin. Ik heb er nooit over getwijfeld of je Nederlands bent. Slaap lekker.”

Weer voel ik me ongemakkelijk. Ik weet niet of ik Nederlands ben. Ik weet niet of ik niet Nederlands ben. Het enige wat ik weet is dat ik niet wil dat iemand anders beslist wie of wat ik ben en waar ik vandaan kom. Ik wil mezelf vormgeven. Ik wil mezelf bepalen. Ik wil niet typisch iets zijn.

Maar ik kom er niet onder uit. Ik ben wel degelijk iets. Ik ben die typische twintiger die is opgegroeid in een samenleving waarin meritocratie de norm is. Ik wil me niet laten definiëren door mijn ouders, mijn grootouders, vriendjes of door vieze mannen op het Leidseplein.


Foto: Nationaal Archief, Fotograaf: Joop van Bilsen/ Anefo