Niet alles is een feest

Josien Arts

26-10-2018



Afgelopen zondagmiddag luisterde ik naar Radio 10. Het nummer Gimme Hope Jo’anna van Eddy Grant kwam voorbij. Ik herinnerde me dat iemand me eens vertelde dat dit nummer een protest was tegen de apartheid in Zuid-Afrika, dus ik luisterde aandachtig:

  I hear she make all the golden money

                To buy new weapons, any shape of guns

                While every mother in black Soweto fears

                The killing of another son

                Sneakin' across all the neighbors' borders

                Now and again having little fun

                She doesn't care if the fun and games she play

                Is dang'rous to ev'ryone

Na afloop van het nummer zei de radio-dj dat het nummer hem altijd aan carnaval doet denken, omdat het een hoog polonaise-gehalte heeft... Nu luister ik ook niet altijd even nauwkeurig naar songteksten, maar het zette me toch aan het denken. Hoeveel ruimte is er voor protest? Wordt het überhaupt wel gehoord als het er is en, minstens even belangrijk, wordt het dan serieus genomen?

Toen studenten vorige maand een gebouw van de Universiteit van Amsterdam bezetten, kopte de lokale televisiezender: Schade P.C. Hoofthuis nog onduidelijk: 'Alle Tony's Chocolonely uit kantine weg’. Ik las nieuwsberichten over schade en ontruiming, een bezoek van de burgermeester en de reactie van het bestuur van de universiteit, maar weinig over de redenen van de protesten. Een veelgehoorde reactie was: “Waar de studenten precies tegen (of voor) demonstreren is niet direct duidelijk. (…) Wel waren alle repen van het merk Tony Chocolonely uit de kantine gejat.” Om de actieweek WO in actie af te sluiten, liepen studenten eerder diezelfde dag (weer) een protestmars waarin – volgens mij – echter prima duidelijk werd waar het om ging: nóg meer bezuinigingen, te hoge werkdruk voor zowel docenten als studenten, te weinig ruimte voor medezeggenschap, enzovoorts.

Een ander voorbeeld van een protest dat regelmatig ondermijnd wordt, is dat tegen seksueel machtsmisbruik. Op zaterdag 13 oktober berichtte het NRC over hun onderzoek “Een jaar #MeToo”, waarin de krant de vraag stelde “wat de opstand tegen seksueel machtsmisbruik heeft opgeleverd”. De resultaten blijken wisselend. Enerzijds heeft de opstand ruimte gecreëerd om seksuele intimidatie bespreekbaar te maken op de werkvloer, anderzijds lijkt het effect hiervan (nog) achter te blijven. In één van de artikelen wordt dit door Jörgen Svensson van de TU Twente mooi samengevat: “Ik heb geleerd dat je maar beter niet aan een klacht kunt beginnen, maar dankzij #MeToo heeft degene die wordt aangeklaagd waarschijnlijk ook een probleem.”

'Waarschijnlijk'.

In diezelfde krant schreef een columnist naar aanleiding van de hoorzitting van Brett Kavanaugh (een rechter die werd voorgedragen als lid van het hooggerechtshof in de VS, terwijl hij werd beschuldigd van verkrachting): “Ik ben gek op amusement en ik heb me afgelopen week kostelijk vermaakt.”

'Amusement'? 'Vermaak'?

Een laatste voorbeeld: het protest tegen zwarte piet, dat steevast wordt weggezet met het argument: “maar het is een kinderfeest”. Alsof alles dat ‘een feest’ is, per definitie beschermd moet worden. En alsof het vieren van iets dat problematisch is geen probleem kan zijn, omdát het een feest is – en feesten zijn per definitie goed, toch…?

Wat al deze protesten gemeen hebben is de reactie erop: ‘het valt wel mee’, ‘doe niet zo moeilijk’, of ‘het hoort er gewoon bij’. Het gevolg is dat het protest niet serieus genomen wordt. En dat is kwalijk, want ongelijke kansen, seksuele intimidatie en discriminatie op basis van huidskleur zijn geen amusement of feest, en al helemaal geen reden voor een polonaise.