Terug van zomerkamp

Fenneke Wekker

07-09-2018

Nu ik na een zinderende zomervakantie thuiskom, bevliegt mij een naar gevoel. Ik heb zin om naar huis te gaan. Maar ik ben al thuis. De vakantiespullen staan nog in de gang, het huis ruikt naar kattenharen en dichte ramen, de vuile kleren liggen op een hoop voor de wasmachine. Ik ben duidelijk thuis, maar toch voel ik een sterk verlangen om weer weg te gaan: naar huis. De afgelopen dagen blijf ik mij afvragen “maar wat is ‘thuis’ dan, als het niet deze plek is waar ik woon?”

Herinner je je hoe het was als je terugkwam van zomerkamp?
Je moeder zet het bad voor je aan en vraagt niet te ver door hoe het was. Je duikt na het bad meteen je bed in, moe en schor van een waanzinnige week. De herinneringen aan die zomerliefde zinderen na, het corvee in de keuken, het kussengevecht op de slaapzaal, het overlopen naar de jongens, die kus de laatste avond. En terwijl jij in je schone bed ligt te mijmeren, vult de koelkast in de keuken zich als vanzelf met dingen die jij lekker vindt. Je vuile kleren liggen na twee dagen slapen op wonderbaarlijke wijze weer schoon in de kast. De wc ruikt lekker fris als je er in je pyjama heen hobbelt, en je hoort je moeder beneden zingen – die heeft het blijkbaar naar haar zin met… ja, wat doet ze eigenlijk?

Dat is thuis voor mij, bedenk ik mij tot mijn schaamte. Dat je gelooft dat alles vanzelf gaat. Dat er niets anders te doen is dan bijkomen van alle ervaringen, indrukken, inzichten en emoties van de afgelopen week. En onmisbaar daarbij: het gebrek aan schuldgevoel, omdat je je niet eens realiseert dat er door iemand hard gewerkt wordt om jou die ruimte en tijd te geven.

Nu ben ik zelf ‘de moeder’. Terwijl ik de huishoudelijke taken luchtig probeer te verdelen onder mijn gezinsleden en – anders dan mijn moeder – probeer mijn kinderen zelf hun vakantiespullen op te laten ruimen, vraag ik me af of ik zelf ooit nog echt thuis kan komen. Ik kan hooguit proberen een situatie te creëren die lijkt op ‘thuis’. Maar dat vraagt een hoop arbeid en een onaflatende inzet, weet ik inmiddels. Want er zijn geen kaboutertjes die de was doen en het balkon aanvegen. Ik, wij zijn zelf de ‘thuismakers’. En zonder dat onschuldige onvermogen om te beseffen hoeveel werk er in ‘thuis’ zit, blijft die plek een onvolledig ideaal. Want die plek, nee, die specifieke, tijdsgebonden situatie, is voorbij. En dat is deels maar goed ook, want ik verlang er niet naar om nog bij mijn moeder thuis te wonen. En bovendien, het zou niets oplossen, want mijn ‘geloof’ in thuis is weg. Maar daarmee ook de vanzelfsprekende en volledige ontspanning die mij vroeger overviel als ik terugkwam van zomerkamp.

Ik denk dat ‘thuis’ in de grote-mensen-wereld nu eenmaal uit vuile was bestaat.