Twee keer zo hard werken

Fenneke Wekker

02-11-2018


“En de hoofdrol gaat naar… Fenneke!” Gejuich, omhelzingen van de andere 15-jarige toneelspelers, euforie. We hadden allemaal auditie gedaan voor de televisieopnamen van Sneeuwwitje de Musical. We hadden een scène moeten spelen en een lied moeten zingen. “Jij was gewoon de beste,” zei de beroemde televisiester Angela Groothuizen, terwijl ze me liefdevol beetpakte.

De euforie duurde een uur. Toen kwam Angela Groothuizen naar me toe, duidelijk terneergeslagen. De producent had gezegd dat zo’n meisje als ik toch onmogelijk Sneeuwwitje kon zijn. “Het spijt me,” ik voelde haar oprechtheid, “Nederland is er blijkbaar nog niet aan toe om een bruin meisje Sneeuwwitje te laten spelen.” Mijn beste vriendin kreeg de rol. En inderdaad, ook ik kon het zien: zij wás Sneeuwwitje, met haar perfect blanke huid, haar steile zwarte haar en haar ambrozijn rode lippen. In de omhelzing die we elkaar gaven, realiseerden we ons beiden dat er iets in onze vriendschap was veranderd: we hadden allebei een huidskleur gekregen. En die van mij beloofde weinig goeds.

Toen ik ’s avonds lag te huilen op bed – ik had de hele dag de hofdame van mijn beste vriendin ‘Sneeuwwitje’ moeten spelen en was door ijverige grimeurs steeds opnieuw wit bij-gepoederd, want “bruine mensen waren er nog niet in de tijd van Sneeuwwitje” – kwam mijn vader op mijn voeteneind zitten. “Fen, luister eens,” zei hij, “Je hebt nu ervaren wat ik je al lang probeer te vertellen. Je zult twee keer zo goed moeten zijn en twee keer zo hard moeten werken als je blanke vriendinnen. Want als het er op aan komt, ben je zwart.” Dat misselijke gevoel dat je krijgt als je weet dat iets vreselijks echt waar is, dat zal ik nooit vergeten.

Mijn toneelcarrière hing ik al snel aan de wilgen; ik had er genoeg van steeds de vrouw van een crimineel of ‘de Indiaan’ te moeten spelen. “Andere rollen zijn er nog niet voor gekleurde mensen,” legde de castingdirector begripvol uit. De woorden van mijn vader galmden onheilspellend na in mijn hoofd.

Ik begon een nieuwe studie, in de wetenschap. De angst sloeg me om het hart toen ik zag dat al mijn medestudenten wit waren. Ik zou twee keer zo hard moeten werken en twee keer zo goed moeten worden als alle anderen. Een 7,5 mocht ik niet halen, het moest een 10 zijn. Mijn bachelorstudie rondde ik cum laude af. Mijn onderzoeksmaster rondde ik cum laude af. Eenmaal met nog een handjevol mensen over in de race voor een onderzoeksbeurs, beving mij weer dat welbekende misselijke gevoel. De voorzitter van de volledig witte commissie, waarvan slechts één vrouw, vroeg aan mij: “Waarom wilt u op uw leeftijd nog zo graag promoveren, mevrouw Wekker? Doet u dit niet alleen maar om carrière te maken?” Ik probeerde de commissie rustig uit te leggen dat ik zeker carrière wil maken in de wetenschap, maar dat wil doen door middel van goed en maatschappelijk relevant onderzoek. “Dan is er nog iets anders waar wij ons zorgen over maken: uw thuissituatie. Heeft u een partner, kinderen? Hoe ziet u het voor zich dat u een dergelijk intensief onderzoek gaat doen? Heeft u dit afgestemd met uw partner?”

Ik sloeg dicht. Wat was hierop het juiste antwoord? Zouden ze dit ooit aan een man gevraagd hebben? Ik werd afgewezen met een ‘zeer goed’, maar met twijfels over of ik als persoon niet te betrokken was bij het onderzoek en wel tot objectieve bevindingen zou kunnen komen.

Dit had je me niet verteld, pap. Als het erop aankomt ben ik niet alleen zwart, maar ook een vrouw.

Met hulp van de onderzoeksgroep Politieke Sociologie van de Universiteit van Amsterdam, en met een burn-out en een flinke dosis antidepressiva later, ben ik nu bijna klaar met mijn promotieonderzoek. Het moet cum laude worden als ik met de witte jongens mee wil spelen, zoveel heb ik wel geleerd.

Vorige week verscheen er in de krant dat vrouwelijke promovendi aan alle Nederlandse universiteiten twee keer minder kans maken om cum laude te slagen dan hun mannelijke collega’s. Niet omdat deze mannen tijdens hun opleiding en onderzoek stelselmatig twee keer zo goed gepresteerd hebben – het tegendeel blijkt uit de cijfers – maar omdat de promotiecommissies vrouwen niet ‘herkennen als kundige wetenschappers’.

Ik vrees dat ik niet twee keer, maar vier keer zo hard zal moeten werken om als gelijke mee te mogen doen.