Verborgen Poëzie (III)

29-09-2017

Fatiha El-Hajjari


Owied adzjoen eneej, izran negraariethen

Goema enuk erghara ie jienej tsenathen

[Geef mij mijn trommel, de poëzie is al uitgekozen

Laat mij het verlangen van de luisteraar stillen]

Met haar ogen volgt ze de henna die haar handen versieren. De rode lijnen tegen haar olijfgroene huid weerkaatsen in de schaduw van de vijgenboom. Ze heeft haar stem terug gevonden:

Shaar tiwarien, shaar tiqisisien
A nouwiya, may thoufith a zine

[Hoeveel woorden, hoeveel verhalen
“Oh mijn geliefde, wie heeft jou die schoonheid geschonken?”]

De herinneringen stapelen zich langzaam op. De gedachten die haar maandenlang hebben beziggehouden, laat ze vrij. Ze besluit te spreken. Tegen de bergen om haar heen begint ze de biecht:

Zie mermeej shek ezrier, sefaaregh titawin

Ewa shek ietegser mara zie iebrieren

   [Sinds de dag dat ik jou zag, volgen mijn ogen jou

Oh, jij waar mijn hart om vraagt]

Ye titadiewen eneej , theneej deej iejemren

Ezend rehkar ino, oejekwoo shej nieshen

[Oh zijn ogen, ze hebben mij verblind

Laat mijn verstand maar met rust, ik ben die nu toch al kwijt]

In een fractie van een seconde wordt ze overspoeld door twijfel. Is dit wel de juiste keuze? Zou ze toch het haar opgelegde advies opvolgen? Ze bedenkt zich en valt ongedwongen terug in haar kracht. Ze slaat nog harder tegen de met aarde bewerkte trommel in haar handen, als ware het de negatieve gedachten die ze van zich afslaat. Ze vecht terug:

We hiewenteej alif, eh neneej wejenziegh

Eh zoedzjar ethoowier, enedaa qie lamlich

[Zij hebben mijn geliefde afgekeurd, en zeiden dat hij niet zal slagen

Ik heb gezworen hem te trouwen, en in voorspoed zullen wij leven]

Ze denkt aan de vele verhalen die over hem de ronde doen. De mensen die haar van hem weg hebben gehouden. Verbitterd kijkt zij naast zich:

Tadaath nalif ino, we roekezh we toeriesh

Ye tadaath noeshekem eketh raaj goerezriesh

[Het huis van mijn geliefde, is ver weg noch dichtbij

Het huis van mijn verraders, is naast mijn zij]

Ze besluit opnieuw.

Eyere layama oodezeej arino,

Oodezeej erowier alhoub ie woerino

[Oh, ik smeek, laat mijn hart met rust

Laat mij de keuze van mijn hart volgen]

Haar rode vingertoppen raken weer zachtjes, maar toch ritmisch, de trommel. De woorden zijn uitgesproken. De strijd is opgegeven. Ze staat langzaam op en wendt zich tot de Almachtige.

De Amazigh vrouw, de ‘vrije mens’, is ontwaakt.


[1] De teksten zijn gebaseerd op poëtische liederen die traditiegetrouw al eeuwenlang door Amazigh vrouwen uit Noord-Afrika bedacht en gezongen worden.