Vrouwen in de wetenschap

Lea Klarenbeek

08-07-2018

Bij het woord ‘wetenschapper’ denken mensen eerder aan een man dan aan een vrouw. Vrouw zijn in de wetenschap is daardoor niet zomaar een gegeven. Veel eigenschappen die met vrouwen worden geassocieerd matchen niet lekker met het ideaalbeeld van wetenschap: objectief en rationeel. Empathie, sensitiviteit, en sensualiteit zijn hierbij niet op hun plaats. Neem daarbij de opvatting dat vrouwen beter zouden zijn in het uitvoeren van taken waar mannen meer creatieve denkers zouden zijn, en het is duidelijk dat mannen en vrouwen niet zomaar gelijke kansen hebben in de wetenschappelijke wereld.

Zelf heb ik geen momenten gehad in mijn (nog korte) loopbaan, waar ik mij duidelijk gediscrimineerd voelde als vrouw. Maar toch. Hoe meer ik me bezighoud met problemen rond genderongelijkheid en seksisme, hoe meer onderzoeken ik lees over hoe mannen en vrouwen verschillend behandeld worden, hoe vaker ik zelf tegen situaties aanloop waarbij ik mij achter m’n oren krab en denk: zou dit zo gebeurd zijn als ik een man was? In sommige gevallen is het heel duidelijk, maar dit is lang niet altijd het geval.

Laat me twee voorbeelden geven in de categorie: 'niet-zo-heel-duidelijk-maar-het-houdt-me-toch-bezig':

Vorrbeeld 1: bij een informeel samenkomen wordt mij gevraagd aan een groep van 15 collega’s te vertellen over mijn onderzoek. Aan het einde van het gesprek zegt de office manager (vrouw) bij wijze van afronding: ‘Ik vind het zo leuk om naar jouw wimpers te kijken als je praat. Je hebt natuurlijk heel mooie wimpers, maar je bent ook zo heerlijk expressief met die wimpers.’ Dit is duidelijk bedoeld als compliment.

Wat zou het heerlijk zijn om te kunnen denken: ‘Nou, ik heb net een interessant gesprek gevoerd over mijn onderzoek, en óók nog eens een mooi compliment gehad over mijn uiterlijk en presentatiestijl. Wat een topdag!’

Maar met deze opmerking transformeer ik even van ‘Lea de wetenschapper’ naar ‘Lea de vrouw’. En het is maar de vraag wat dat betekent voor hoe serieus mensen ‘Lea de wetenschapper’ nog nemen. En dus zit het me de hele dag niet lekker.

Voorbeeld 2: bij een conferentie presenteer ik mijn onderzoek aan een groep wetenschappers. Aan het einde is er tijd voor vragen en er ontstaat een vrij heftige discussie. Meneer 1 is het oneens met zowel het perspectief van mijn onderzoek, als met mijn claim dat ik hiermee iets toevoeg aan het debat. Dit onderzoek is immers al gedaan, zo stelt hij. Meneer 2 grijpt in: ‘Hier moet ik het toch even voor Lea opnemen. Lea stelt namelijk een heel belangrijke vraag. Maar wat Lea nog niet helemaal heeft begrepen is het volgende… [uitleg over wat Lea niet begrepen heeft, welke teksten Lea nog nooit heeft gelezen of verkeerd heeft geïnterpreteerd, en als grote klapper natuurlijk een samenvatting van zijn eigen werk, waarin de vraag die Lea stelt volgens hem al lang beantwoord is].

Lea zelf transformeert hierdoor van een expert op haar eigen vakgebied, naar iemand die blijkbaar niet in staat wordt geacht zelf kritische vragen te beantwoorden, en iemand aan wie nog even uitgelegd moet worden waar haar eigen onderzoek eigenlijk over gaat.

Wat zou het heerlijk zijn om te kunnen denken: ‘Wat een stelletje arrogante donders, ze zoeken het maar uit.’

Maar dit zijn toonaangevende wetenschappers, die elkaars toonaangevendheid in stand houden door elkaar te citeren in toonaangevende publicaties en elkaar uit te nodigen voor toonaangevende lezingen. En dus ga ik met een rotgevoel weg van dit congres.

En het lukt me niet meer om mijn vrouw-zijn los te koppelen van dit soort situaties. Ondanks dat dit voor mijn eigen gemoedsrust waarschijnlijk beter zou zijn, voelt dat naïef. En als we dit soort situaties niet herkennen en erkennen als een gender-probleem, hoe moeten we er dan verandering in brengen?

De grote vraag die dus in elk van dit soort situaties opkomt, blijft: wat moet je ermee? Ga je het gesprek aan over de ondermijnende manier waarop dingen worden gezegd, en over de implicaties van dergelijke opmerkingen? Levert dit je iets op? Zullen mensen herkennen dat ze, zelfs al hebben ze het nooit zo bedoeld, bijdragen aan het reproduceren van verschillen tussen mannen en vrouwen? Of laat je het varen, omdat het je alleen maar energie kost? En kun je die energie beter steken in heel goed zijn in je werk, om op die manier je plek te veroveren?