Witten onder elkaar

Tessa Pijnaker

24-04-2017

‘Je gaat toch onderzoek doen naar écht zwarte mensen?’, vroeg een oud-decaan van een Nederlandse universiteit mij tijdens een interview voor een studiebeurs. In de pijnlijke stilte die volgde vroeg ik mij af wat ik hierop moest antwoorden. Zou ik gaan uitleggen dat er heel veel verschillende mensen in Ghana wonen, of dat ‘zwart’ een concept is? Of zou ik zeggen dat ik dit racistisch vond en daarmee misschien mijn kansen op een beurs reduceren? Ik besloot te vragen wat hij bedoelde. Hij antwoordde: ‘Nou, je hebt ook lichtbruine mensen, maar met echt zwarte mensen zijn de culturele verschillen groter, toch?’ Voor deze man was huidskleur duidelijk een indicator voor culturele afstand. Ik was stomverbaasd.

Deze gebeurtenis was geen los incident. Sinds ik terug ben gekomen van veldwerk in Ghana, krijg ik vaker te maken met van vooroordelen vervulde reacties wanneer ik mensen in Nederland vertel over mijn onderzoek. Zo zei een mede-historicus op een congres, toen ik hem vertelde over videogame development in Ghana: ‘Ik wist niet dat die inheemsen dat konden. Ik dacht dat ze daar alleen maar in hutjes woonden.’

Iedere keer als ik met dit soort uitspraken word geconfronteerd, probeer ik de vooroordelen te benoemen en beleefd te ontkrachten. Maar tegelijkertijd zeg ik zoveel dingen niet; bijvoorbeeld hoe moeilijk ik het vind om te bevatten dat iemand mijn vrienden en onderzoeksparticipanten in Ghana, met allemaal hun eigen achtergrond, talenten en huidskleur, kan reduceren tot ‘inheems’ of ‘écht zwart’; of hoezeer het me verbaast dat witte mensen lijken te denken dat het oké is om dit tegen elkaar te zeggen; of hoe erg het me vervult met een diepe smeulende boosheid.

Wat ik zeg, denk en voel in dit soort situaties heeft mij aangezet tot reflectie. Voordat ik naar Ghana ging voor veldwerk, kwam het ook wel voor dat witte mensen racistische dingen tegen mij zeiden over anderen. Vaak zei ik daar niets van en voelde ik er, behalve sociaal wenselijke afkeuring, vrij weinig bij. Voor mij, als witte vrouw die is opgegroeid in een overwegend wit milieu, bleven de mensen over wie het ging iets abstracts. Dat ik nu na mijn veldwerk boos word als witte mensen vooroordelen uiten, geeft aan dat ik ben veranderd. Maar het mechanisme is hetzelfde gebleven. De mensen die tegen mij spreken hebben waarschijnlijk het gevoel als witten onder elkaar te spreken. Ze beschrijven Ghanezen als iets abstracts en realiseren zich niet dat het voor mij gaat om concrete mensen. Mijn sluimerende boosheid is een reactie op dat ik voel, in plaats van weet, dat die vooroordelen en abstractie vormen van ontmenselijking zijn. Het voelt alsof ik, in dat mechanisme waaraan ik zo lang aan heb meegedaan, niet meer voldoe aan de rol die andere witte mensen mij toebedelen.

En dat vervult me met twijfel. Kan ik racisme wel aankaarten als ik veldwerk nodig had om de menselijkheid te voelen van mensen met een andere huidskleur dan ik? Hoe kan ik als witte vrouw breken met de verwachtingen die witte mensen van mij hebben?